Sef kon het nog goed herinneren. In zijn gedachten beleefde hij het opnieuw... Hij rook de verschrikkelijke geur in het huis, en voelde de grote groene ballen die in zijn mond maar bleven hangen en de smaak van het bijna moeten braken dat van diep achter in de keel opkwam… Er leek nooit een einde te komen aan de berg ergernis die op zijn bord lag. Wat een verschrikkelijke ramp was het als hij hoorde dat ze ’s avonds weer spruiten zouden gaan eten.
Hij had nu weer een bord voor zich; dit maal het bord van het dagelijks leven. Dit bord bracht hem bij zijn herinnering aan zijn bord als kind. Wat er nu op lag was geen berg spruiten, maar veel zwaarder te verteren. De gedachte aan deze berg deed hem duizelen. Niet te overzien, niet te behappen en niet te verteren, of toch...?
Weer een spruit… De gruwel die hij ervoer bij de grootte, de structuur, de geur en de smaak van de bal van bladeren spreidde zich door zijn hele lichaam, van zijn mond en neus tot aan het einde van zijn haren en de puntjes van zijn kleine tenen. Terwijl de ballen zich leken te vermenigvuldigen op zijn bord als een of ander gevaarlijk virus, herinnerde hij zich ook de langzaam opkomende vreugde als de strijd met de ballen toch langzaam overwonnen werd. Nog 8, nog 5, 3, 2, nog 1… Wat een ongelooflijke opluchting!
Morgen zouden ze weer wat anders eten!



