Tuesday, 15 April 2014

De geur van versgebakken brood

Een tijdje geleden schreef ik het volgende verhaaltje. Recentelijk heb ik er een illustratie bij gemaakt.

De geur van versgebakken brood.

Hij wist het nog goed. Als klein kind speelde hij er op de vloer. Je zou denken dat een kind went aan een geur waar het regelmatig in speelt en deze niet meer opmerkt. Maar deze kleine jongen stond regelmatig rechtop, met zijn ogen dicht en zijn neus in de lucht om de geur van versgebakken brood op te snuiven. Wat was dat lekker!

Hij was er goed in, dat snuiven, beter dan anderen. Hij kon namelijk aan de geur herkennen wat voor een brood in de oven warm lag te worden. Zo rook het tijgerbrood naar groot avontuur, kloosterbrood naar galmende gangen vol aanbiddingsmuziek, en zonnebloempittenbrood naar de uitgestrekte velden vol goudgele bloemen. Het was een gave, had zijn oom eens verteld, niet lang voordat hij stierf, gestikt in een snee roggelbrood.

Deze jongen wist wat hij later wilde worden. Net als zijn oom, zou hij zijn gevoeligheid, zijn neus, zijn gave inzetten om de mensen van heinde en verre te voorzien van het heerlijkste brood van het land.

Maar toen hij later groot geworden was werd zijn gave niet gewaardeerd. Met het ruiken van brood kon je geen boterham verdienen, vond men. Er waren mensen met hele andere neuzen, en die hun neus ophaalden voor de zijne. Brood was gewoon brood, daar moest hij niet over zeiken. En terwijl hij dat maar liet, werd het hem op zijn brood gegeven.

Zo werd hij langzaam iemand anders, anders dan hemzelf. Aan de buitenkant werd hij een prima vuilnisman en ruimde keurig de rommel op van anderen. Aan de binnenkant werd hij een lege kliko, waarin holle klanken echoden en de geur van versgebakken brood ver te zoeken was.