De geur van
versgebakken brood.
Hij wist het nog
goed. Als klein kind speelde hij er op de vloer. Je zou denken dat een kind
went aan een geur waar het regelmatig in speelt en deze niet meer opmerkt. Maar
deze kleine jongen stond regelmatig rechtop, met zijn ogen dicht en zijn neus
in de lucht om de geur van versgebakken brood op te snuiven. Wat was dat
lekker!
Hij was er goed
in, dat snuiven, beter dan anderen. Hij kon namelijk aan de geur herkennen wat
voor een brood in de oven warm lag te worden. Zo rook het tijgerbrood naar
groot avontuur, kloosterbrood naar galmende gangen vol aanbiddingsmuziek, en
zonnebloempittenbrood naar de uitgestrekte velden vol goudgele bloemen. Het was
een gave, had zijn oom eens verteld, niet lang voordat hij stierf, gestikt in
een snee roggelbrood.
Deze jongen wist
wat hij later wilde worden. Net als zijn oom, zou hij zijn gevoeligheid, zijn
neus, zijn gave inzetten om de mensen van heinde en verre te voorzien van het
heerlijkste brood van het land.
Maar toen hij
later groot geworden was werd zijn gave niet gewaardeerd. Met het ruiken van
brood kon je geen boterham verdienen, vond men. Er waren mensen met hele andere
neuzen, en die hun neus ophaalden voor de zijne. Brood was gewoon brood, daar
moest hij niet over zeiken. En terwijl hij dat maar liet, werd het hem op zijn
brood gegeven.
Zo werd hij
langzaam iemand anders, anders dan hemzelf. Aan de buitenkant werd hij een
prima vuilnisman en ruimde keurig de rommel op van anderen. Aan de binnenkant werd
hij een lege kliko, waarin holle klanken echoden en de geur van versgebakken
brood ver te zoeken was.














